Reisverslag van familiereis naar Sulawesi, Indonesië

Bijzondere groepsreizen en individuele reizen Azië, Tibet, Bhutan, China en Vietnam

Reisverslag Indonesië Sulawesi


Kladdernootjes


Gemaakt tijdens een reis naar Bali, Sulawesi, Java en Lombok van 4 weken van 15 juli tot 13 augustus 2009.


Route: Amsterdam - Singapore- Den Passar- Sanur- via Tanah Lot naar Munduk-Lovina- Ubud- via Besakhi Tempel Den Pasar- vlucht Makassar (Zuid-Sulawesi)- Bira- Sengkang- Rantepao (Tana Toraja) - Makassar- vlucht Yogyakarta (Oost-Java)- Prambanan- Dieng Plateau - Borobudur- vlucht Mataram (Lombok via Den Pasar) - Tete Batu- Kuta (Lombok) - met uitstappen naar Gilli Nangu en Gilli Meno (snorkelen). - Mataram- Singapore- Amsterdam

Deze route die ik met mijn man en kinderen heb afgelegd, is niet representabel voor een gemiddelde familiereis. Het heeft een ietswat onlogische opbouw om verschillende redenen.
Het was mijn eerste keer naar Indonesie, ik zocht naar een goede introductie van dit land met meer dan 17.000 eilanden. Waar moet je in godsnaam beginnen? Als eigenaar van een kleine reisorganisatie die Indonesie ook in het aanbod heeft, wilden we zoveel mogelijk zien. We kozen daarom voor vier bekende eilanden en voor elk eiland trokken we een week uit. Omdat we met onze kinderen ( 3 en 7 jaar) reizen, is de opzet anders dan een route voor volwassenen. We hebben soms rustmomenten ingelast waar volwassenen zouden doorstomen. Aan de andere kant is de gekozen route niet standaard geschikt voor families: we reizen veel, onze kinderen ook, waardoor we gewend zijn aan lange rijdagen en af en toe eenvoudige accommodatie. De kladdernootjes zijn niet chronologisch. Soms laat ik hele programmaonderdelen weg of laat ik zelfs de plaatsnamen achterwege.
Net als kleine schetsjes uit een schetsboek.

Zuid Sulawesi op weg van Bira naar Rantepao, het stadje midden in Toraja land.


De marskramer
Met zijn brommer aan weerszijden overladen met groene plastic teiltjes, metalen lepels, zeepjes, wasmiddel in vrolijke kleine rechthoekige aan elkaar geregen zakjes, stickers, plastic autootjes, nagelvijlen, maatbekers en vrolijke ballonnen voor de kinderen, stopt hij voor het knalblauwe houten paalhuis aan de kant van de doorgaande weg. Hij zet zijn helm op zijn zadel. Aan te bellen hoeft niet. Kan ook niet want er is geen bel. Een vrouw met wijde bloemenjurk komt er al aan gesloft. Ze komt in de bak te kijken die op zijn bagagedrager staat. Ze kan er net bij op haar tenen in haar beige plastic teenslippers. Vier kindjes op blote voetjes komen aangerend. Met grote ogen kijken ze naar de stickervelletjes van Japanse cartoonfiguren en een tegenhanger van Hello Kitty. De ballonnen grijnzen hen vrolijk tegemoet. De marskramer laat ze geduldig toe, zonder een woord te zeggen. Hij rommelt wat in zijn bak en laat de vrouw een schuimspaan zien. Een beetje krom is ie wel, maar dat heeft de marskramer zo verholpen. De vrouw kijkt ondertussen verder in de bak en vist er een plastic vrachtwagentje uit. Ze geeft de marskramer een blauw bankbiljet en sloft weer rustig naar het blauwe huis terug.
Hun vrolijk geschilderde houten huis op palen staat in een lange rij met net zulke kleurrijke paalhuizen langs de doorgaande weg van Sinjaj naar Watampone. De huizen hebben prachtige felle kleuren, cyclaamroze met limoengroen, zwembadblauw met kanariegeel, pimpelpaars met korenblauw. Het kan blijkbaar allemaal. Achter de huizen liggen werkelijk knalgroene rijstvelden afgezoomd met rijen palmbomen, zover je maar kijken kan. In de verre verte steken grijze bergen af tegen de horizon, de minaret van een moskee in vrolijke kleuren geel en blauw steekt fel af tegen het grijs. Deze weg is de enige asfaltweg hier. Het is dan ook een belangrijke levensader voor de bewoners van de paalhuizen. En zoals ik net heb kunnen constateren is deze weg cruciaal voor het bestaan van de marskramer op een brommer. Of had ie anders de fiets gepakt?

Botenbouwers
Het strand is zo goed als wit. Prachtige grote schelpen liggen als polka-dotjes verspreid op het zanddeken. Zo voor het oprapen.
Langs de kust van Bira liggen de houten boten op het witte strand met hun neuzen wijzend naar de blauwe zee. Enorme flatgebouwen met witte vlaggetjes er bovenop. Kinderen rennen op en neer over de bamboesteigers die er tegenaan gebouwd zijn als knikkers die naar beneden rollen over een houten zigzagbaantje. Het zijn de houten schepen van de Buginezen, het heldhaftige volk dat over de zeeën voer tot aan Australië of zelfs helemaal naar Madagaskar. Het volk dat Indonesië op de wereldkaart zette. De pinisi, zoals de boten worden genoemd, brachten de Buginezen van oudsher veel handel en vis en liet hen zelfs toe handelsposten op te zetten in Kuala Lumpur en Singapore. Het leven van deze mensen die met een been in de zee wonen en de ander op het strand, lijkt nog nagenoeg onveranderd. In de branding dobberen kleine houten bootexemplaren te wachten op de baas om uit vissen te gaan. Andere bootjes hebben dienst. In de ondergaande zon staat een visser als een schaduw in zijn bootje, op zijn dooie gemakje visnetten uit elkaar te halen.
Hun houten zeilschepen zijn van wereldfaam en worden nog steeds op dezelfde manier gebouwd als honderden jaren geleden. Lange houten planken worden een voor een op elkaar gezet waarna er lange houten pennen door heen worden geslagen die later worden afgezaagd. Alles met de hand volgens hun eigen oude bouwmethode. Hun paalhuizen staan naast de boten, vlak aan het strandzand. Hun kinderen spelen onderaan de boot met de houtkrullen en afgezaagde houten pennen die hun vaders naar beneden laten vallen tijdens het schoonschaven van de zijkanten van de boot. Andere kinderen rennen rollende brommerbanden achterna, die ze met een stokje steeds in beweging houden. Een jongetje probeert een vlieger op te laten. De vlieger is zelf gemaakt van prachtig oranje en wit vliegerpapier. Het touw heeft hij om een roestig blikje gewikkeld. Daar gaat de vlieger de lucht in, om rustig te blijven hangen boven het houten flatgebouw van zijn vader. Hij laat het me trots zien. Kijk eens hoe hoog mijn vlieger vliegen kan!

Naar school
Haar sportschoenen staan open, veters niet gestrikt, de uiteinden in de schoenen gestopt. Uitdagend, zoals het hoort. Ze zit achterop de scooter bij haar vriendin. Haar glanzende zwarte haar in een hoge paardenstaart, elk been langs een zijde van de scooter zoals een man te paard. Ze heeft haar hippe pukkel kruislinks om haar schouder. Witte, geschreven Engelse zwierige letters op een groene achtergrond maken de pukkel ultrahip die niet zou misstaan op een middelbare school in de binnenstad van Amsterdam. Ze heeft haar bruine schoolhoofddoek in haar rechterhand. Haar paardenstaart wappert in de wind. Ze heeft net als haar schoolvriendin een bruin schooluniform aan. Beige blouse met lange mouw, het schoolinsigne op de linkerbovenarm genaaid. Haar plooirok is van dezelfde kleur bruin als haar hoofddoek. Met zijn tweetjes rijden ze keihard door het verkeer. Onverstoord midden op de rijbaan, ongeacht ons getoeter van achter. De stoere meiden van de klas op zomaar een islamitische middelbare school op Sulawesi. Zes dagen per week naar school moeten ze. Op zondag hebben ze vrije dag.
De school is knalgeel geverfd met zwembadblauwe biezen. Op het schoolplein staan meisjes met hoofddoek en uniform in strakke rijen opgesteld. Hun klassenleider roept een yell en daar gaan ze. Al marcherend naar binnen door een kanariegele schooldeur.
Langs de kant van de weg marcheert een ander groepje schoolmeiden. Twee aan twee. De klassenleider achteraan naast het achterste paartje, als derde wiel aan een wagen, schreeuwt de maat. Strakke maar verveelde gezichten. De voorste rij, ver van de leider is afgeleid. Ze lachen stiekem naar elkaar en eentje heeft een hand in haar zakken. Het groepje heeft geen hoofddoek om. Hun glanzende haren genieten van het uitzicht. Ze dragen witte schooluniformpjes met kikkergroene kousen. Allemaal een schattige roze rugzak op de rug.
Weer een andere school ziet er wel heel vrolijk uit, geel, blauw en oranje met op alle muren een vrolijke kindertekening. Speeltoestellen rondom. De kinderen hier gaan in het sawah groen gekleed. Ze hebben rode sjaaltjes om de nek geknoopt. Ze gaan in het groen omdat hun ouders bij het leger zitten. Jongens en meisjes lopen door elkaar. Geen hoofddoek te zien. Het kan zo verschillen.
Zoveel mensen, zoveel smaken, zoveel eilanden, zoveel uniformen. Zoveel culturen, zoveel religies, dat zou Soeharto goed begrepen hebben, zegt men hier.

Tana Toraja 27 juli - 1 augustus 2009


Begrafenisrituelen
Het zwartharige varken ligt op zijn zij. Zijn blik op oneindig. Z’n natte neus wipt af en toe omhoog. Zijn buik gaat regelmatig omhoog en omlaag op zijn ademhaling. Poten vastgebonden met riet. Hij ligt een beetje onhandig op een aantal dikke korte groene bamboestokken. Vanuit de verte begint een broer van hem akelig hard en lang te gillen. Zoals alleen varkens dat kunnen. Het brengt hem klaarblijkelijk op een idee. Hij begint eveneens te gillen waarbij hij als een dolle zich probeert los te wrikken. Hij rolt halve slagen, trekt met zijn poten, schudt met zijn kop, maar het mag allemaal niet baten. De festivalgangers kijken niet op of om als hij probeert de aandacht te trekken. En dat is opmerkelijk voor een hoofdrolspeler. Hij ligt hier overigens niet alleen. Langs de kant van de weg, telt men zo 18 zwartharige babibabi. Het zijn giften van de lokale gasten aan de familie van overledenen waarvoor vandaag een grootse ceremonie is opgezet. Honderden gasten zijn van verre gekomen om een laatste groet te brengen aan twee overleden familieleden van een rijke Toraja familie uit het plaatsje Warante, vlakbij Rantepao in Tana Toraja. De twee familieleden zijn de moeder en de zoon die eerder dit jaar zijn gestorven. Hun lichamen worden bewaard in het houten huis van de familie zoals dat hier hoort. Dit houten huis of tonganan heeft een enorm dak in de vorm van een boot. Het is prachtig versierd met symmetrische inkervingen gekleurd met rood, geel, zwart en wit.
De ceremonie waarvoor geld nog moeite gespaard is, duurt enkele dagen. Aan het eind van deze ceremonie, zullen de kisten met de overledenen bijgeplaatst worden in een familiegraf in een grot , niet ver van hier. De grotten zijn open, je kunt er zo in wandelen en langs kisten komen die hier honderden jaren geleden zijn bij gezet of slechts gisteren. Het verschil zie je. De oude kisten zijn van dik vergrijzend hout, vaak open en zonder beenderen. De nieuwe zijn van glanzend hout en hebben vaak een kleed over de kist of zelfs doorzichtig plastic. Sommige families halen naar verloop van tijd de beenderen uit de kist en plaatsen die zo maar los in de grot. Je ziet er doodshoofden met een half afgerookt sigaretje in hun oogkas. Je ziet flesjes water en sinaasappels voor een kist liggen. Blijkbaar hebben de Toraja echt geen last van nachtmerries. Ze tonen op deze manier uitermate veel respect aan de overledenen door ze zo goed te verzorgen alsof ze nog in dit leven zijn. Een gelijkende houten Tau Tau – pop wordt in een veranda aan de rotswand boven de grot bijgezet ter herinnering aan hen die leefden. De veranda – zoals bij het plaatsje Londa- hangt hoog aan de witte rotswand tussen het groen van de sawa’s. Het is net een balkon in een stadsschouwburg waar de Tau Tau poppen eerste rang stoelen betaald hebben. Het is werkelijk een bijzonder schouwspel, maar dan zonder beweging.

Tijdens de ceremonie bij Warante, word ik samen met veel andere buitenlandse gasten naar een speciaal daarvoor opgezette houten kiosk geleid. Mannen en vrouwen worden geacht gescheiden te zitten. We zitten met misschien wel 30 toeristen in zijwaartse zit met kousenvoeten te wachten. Nieuwsgierig wat er komen gaat. Om ons heen staan wel 15 houten kiosken zoals die van ons , allemaal bestemd voor de binnenstromende gasten. De bankjes aan de voorkant zijn bestemd voor gasten van de adelklasse. Daarachter kunnen de anderen, blijkbaar van lager stand, plaatsnemen. Prachtig verklede meisjes knikken me gezellig gedag. Ze hebben oranje met zwarte vestjes aan gemaakt van kraaltjes. Om hun hoofd een brede oranje band met gouddraad afgezet. Hun haar in een kunstige knot.

De familieleden van de overledenen zijn totaal in het zwart, net als overigens een deel groot deel van de gasten. Sommige vrouwen zijn behangen met goud. Oorhangers, halskettingen en armbanden van verfijnd filigraan. Plotseling herken ik met een kleine schok door mijn hoofd een oorhanger die mijn oma vroeger had. Ze noemde het toen inderdaad Javaans goud. Ik heb geen spatje Indonesisch bloed maar voel me plots een tikkeltje verwant met deze mensen. En dat gevoel bekruipt me al eerder hier in Indonesië. Hoewel ik het niet verwacht in Toraja land waar weer een hele andere cultuur de overhand heeft. Ik voel me op een vreemde manier verwant door de vele woorden die ik herken in het Bahasa Indonesia, de standaardtaal van Indonesië. Woorden als handdoek, pannenkoek, asbak, knalpot, rekening en notaris hebben wij hier achter gelaten. Maar andere woorden hebben we weer mee naar Holland genomen als sawa, senang en pisang. We hebben het Rotterdam Fort achtergelaten in Makassar en Vredebrug in Yogyakarta. Maar tegelijkertijd voel ik me beschaamd. Beschaamd om het feit dat ik Nederlander ben. Mijn volk buitte de Indonesiërs immers uit. We behandelden ze als inferieur en werden rijk van dat wat hun land voortbracht. Hier in Sulawesi, bij ons eigenlijk beter bekend als Celebes, hebben we nog net voor de onafhankelijkheid in 1947 vele dorpelingen zonder pardon gedood omdat we dachten dat ze guerrillastrijders verborgen hielden. Op het eerste gezicht lijken de Indonesiërs die ik tegenkom hier niet mee te zitten.

Wij – de buitenlandse gasten- worden geheel onverwachts onderdeel van de ceremonie. We zijn op de eerste dag van de ceremonie beland en het spits wordt afgebeten door de familieleden die in een lange sliert naar onze kiosk schuifelen. De vrouwen dragen een koperen schaal met daarop elegante koperen kannetjes en schaaltjes. Daarin staan rechtop vanillestokjes en in de schaaltjes ligt suiker gemend met anijszaadjes en gepofte rijst. Het wordt ons al hurkend aangeboden. Sommige vrouwen spreken zelfs een beetje Engels. De lieve oude mevrouw die voor mij hurkt heeft een mooi katoenen lapje vast die ze voor me openvouwt. Uit het lapje komenkleurrijke snoepjes in aandoenlijke papiertjes. Ze biedt me de snoepjes aan. We proberen wat tegen elkaar te zeggen maar haar Engels is beroerd en mijn Bahasa Indonesië of haar eigen Toraja taal nog erger. Gelukkig schiet een jongere zus ons te hulp. Ze is ontzettend blij en vereerd dat ik de moeite heb genomen hier naar toe te komen, vertaalt ze. Hoe meer gasten, hoe beter dit is voor de overleden familieleden, verzekert ze me en ze lacht me bemoedigend toe!

En zo zijn we nu eens een keertje niet te veel op een inheems festival. Zo vaak denk ik; wat moet ik hier nou eigenlijk tussen mensen die hun eigen feest willen vieren, of hun eigen verdriet willen weg wapperen op rituele wijze. Wie ben ik dat ik daar tussen mag staan, ook nog met een camera stiekem in mijn handpalm. Bij deze begrafenisceremonie heb ik op dat vlak in ieder geval blijkbaar niets te vrezen. Ik knik dankbaar en leg uit dat het juist voor mij een eer is om hier te mogen zijn. En dat meen ik.

De andere gasten brengen nu naast de levende zwartharige varkens hangend aan bamboepalen ook karbouwen mee. Buffels dus. Die hangen niet aan palen want het zijn werkelijk enorme beesten. Telkens als er een nieuwe groep lokale gasten arriveert, worden hun varkens en karbouwen gepresenteerd door ze op de binnenplaats te brengen wanneer de stoet gasten langs de kisten van de overledenen trekt. De beesten worden omringd door kleurige maar ingetogen dansen van danseresjes met kralen vestjes aan. Daarna komt er een groep van wel 50 mannen binnen die in een kring om de beesten gaan staan. Ze zingen op een eenvoudige melodie steeds hetzelfde dromerige romantische lied. Ze maken er simpele danspasjes bij. Ze begeleiden zo de overledenen op een veilige manier naar de hemel.
Deze ceremonie kost karrenvrachten met Rupiahs. Dat kan niet anders. Niet alleen voor de familie maar ook voor de gasten is het een aderlating van jewelste. Er gaat verschrikkelijk veel geld in om. De familie verplicht zich om de gasten een goed onderkomen te geven tijdens de ceremonie, de gasten verplichten zich om met dure varkens en nog duurdere karbouwen te komen. Het is een wederdienst. Om de relaties onderling goed te houden. Jij komt met een karbouw? Dan moet deze familie de volgende keer bij jouw ceremonie ook met een karbouw komen. Eerlijk is eerlijk. Een karbouw kost al snel zo’n vier tot twintig duizend euro. En dan heb ik het niet over de Albino Karbouw - de trots van Toraja Land. Deze wordt niet voor niets de Toraja Mercedes genoemd. Omdat ie net zo duur is.
En wat gebeurt er met deze beesten? Ze worden geslacht op de laatste dag van de ceremonie en uitgedeeld aan alle gasten. Elk hapje kost een vermogen. Ben benieuwd of een Toraja dat nou ook bedenkt als ie zijn tanden in een mals hapje karbouw zet.

Toraja Mercedes
Een touw in een stukje plastic slang loopt door zijn natte neus die een beetje scheef getrokken door dat zelfde stuk touw er uit ziet als een stukje zwarte natte klei. Zijn logge kop en een sterke brede nek laten niet met zich spotten. Zijn nek is zo breed dat er geen touw goed om heen past, vandaar maar een touw door de neus. Dat is tenminste de verklaring van zijn trotse hoeder die hem in de gaten mag houden. Zijn gigantische horens die ver uitsteken, eentje wijst overigens naar beneden en de andere naar de hemel, steken hun kracht niet onder stoelen of banken. Zijn witte ogen en witroze huid met grijze vlekken zien er een beetje aandoenlijk uit. Een albino buffel doet bij mij toch een beetje zielig aan. Maar niet bij de Toraja. Een albino buffel wordt vertroeteld. Het is de meest kostbare buffel die er bestaat in Toraja Land. Voor een sterke volwassen albino buffel wordt al gauw 100 miljoen Rupiah neergelegd. Dat is zo’n euro 60.000,-! Deze karbouwen worden dan ook verzorgd alsof het babies zijn. Ze worden uitstekend gevoerd met vers gras, er wordt dagelijks rondjes met ze gelopen alsof men de hond uit laat. Eenmaal daags krijgen ze een uitgebreid badritueel kado. En dat gebeurt meestal op het einde van de dag. De rivier ligt dan als een persoonlijke spa o ze te wachten. Lekker drijven in het water met af en toe een massage van de loopjongen. Letterlijk. Een ware Toraja-mercedes. De gewone donkergrijze karbouw mag er overigens ook zijn. Toch nog een slordige 40 tot 60 miljoen Rupiah wordt er voor betaald. Toch al snel zo’n eur 25000,- Een kalf kost eur 5 miljoen. Hoe krijgt zo’n beest dat ooit terug verdiend? Er moet toch iets anders onder het gras zitten, of in dit geval onder de rijst, dan het ploegen van de sawa’s? Het geheim wordt me verklapt door Cornelius, een Toraja jongen met een wel heel christelijke naam. De karbouwen waren van oudsher het betaalmiddel in Toraja Land. Dat is zogezegd een beetje uit de hand gelopen. Een Tonganan (het traditionele houten Toraja huis met een dak in de vorm van de onderkant van een boot) kost 4 a 5 karbouwen. Ook het varken wordt hiervoor gebruikt. Deze Toraja karbouwen staan helemaal niet meer voor de ploeg. Vandaag de dag worden de karbouwen gebruikt als gift aan de overledenen voor wie een ceremonie wordt gehouden. Op de laatste dag van zo’n ceremonie worden de kist naar de grotten gedragen en de beesten worden geslacht.


Christel van Bree
2009