Reisverslag van familiereis naar Sumatra, Indonesië

Bijzondere groepsreizen en individuele reizen Azië, Tibet, Bhutan, China en Vietnam

Reisverslag Indonesië Sumatra


Indonesië Sumatra 11 juli - 09 augustus 2011
Jungle avonturen op West-, en Noord-Sumatra


13 juli Cubadak eiland: Paradiso resort

Met een kleine speedboot nader ik het prachtige groene eiland dat is omzoomd door een dunne strook zachtgeel strand. Ik zie twee kleine puntjes op een houten pier staan. Als de boot hier even later aanlegt zijn de puntjes tot mensen verworden. Op de door de zon verbleekte brede houten planken staan een man en een vrouw. Niet Indonesisch maar Europees. Op een of andere manier weet ik dat ze ons opwachten. Ze staan op een houten pier van het eiland Cubadak, voor de kust van Sumatra. Het eiland is zo groot als Vlieland. Maar de natuur hier kan niet meer verschillen met Vlieland. Achter hen steekt een gigantische hoge rots begroeid met weelderige tropische vegetatie de hemel in. Aan de voet van het grillige gebergte ligt een mooi smal zandstrand met kromgroeiende palmen als parasols. Grote vlinders in felle kleuren fladderen in stilte langs grote bloemen. In de verte hoor ik het schrille gegil van een neushoornvogel. Her en der steekt een houten huis met een dak van palmblad tussen de palmen en struiken door. Verder is het prachtige brede strand helemaal leeg. Geen mens te zien, enkel een kano met zijspan die als een de oratio scheef op het strand ligt. Ik wrijf nog eens in mijn ogen. Ik ben op een paradijs beland, zonder indringers.

De man heeft kort haar en een korte grijze baard. De vrouw heeft eveneens kort haar en een jolig gekleurde katoenen broek. Zodra ik een stap op de houten plank zet, zegt de man in het Engels met duidelijk een Italiaans accent: Nice to meet you! My name is Nanni. Zijn vriendelijke grijsgroene ogen kijken me even aan. Niet doordringend. Gemeend vriendelijk. Geen gevoel van sleur. Geen Plichtopvolgende blik.
De naam van de vrouw is Dominique. De manier waarop ze haar naam uitspreekt weet ik dat ze Frans is. Samen lopen we de pier af. Het voelt alsof ik bij ze thuis binnenkom. En dat is ook zo. Maar dat weet ik later pas.

Iedereen zegt al snel van zijn eigen resort dat het een paradijs is. Ik heb zo al in heel wat paradijsjes tijdelijk mogen vertoeven. Ook enkele keren op een eiland in Zuidoost-Azië. Maar in geen enkel paradijs voelde ik wat ik hier voel zodra ik mijn voet op die eerste houten plank zette.

Zelf gaten boren en spijkers er door heen jassen
Nanni bedacht zich 21 jaar geleden dat ie wel eens wat anders wilde. Als verzekeringsmakelaar in Torino had ie het zeker niet slecht, maar als hij op reis was in Azië voelde hij zich beter. En zo kwam hij op Sumatra en werd op een een of andere manier verliefd op de natuur, het eten en de mensen. Met een partner bedacht hij om een kleine resort te beginnen op een verlaten eiland. Als geintje. Eens kijken hoe ver ie kwam. Hij vond dit maagdelijke eiland Cubadak en begon. Hij vond een eigen waterbron met mineraalwater, dat scheelde. En in Torajaland op Sulawesi vond hij het idee van de houten huizenbouw die model stonden voor zijn mooie 16 houten huizen met een dak van palmblad. Hij had werkelijk dan ook niet eens een klein stukje kaas gegeten van architectuur en huizenbouw maar met een fax en een bevriende architect in Italië kwam hij er achter hoe dik een houten balk moest zijn als deze negen meter lang was en een dak van palmblad moet dragen met bijbehorende diameter. Het hout komt uit de omgeving. Het is zo hard dat je er niet eens een spijker in kan slaan. Eerst het gat boren daarna de spijker er door heen jassen. Dat moet goed wezen, dacht Nanni. En het is goed. 21 jaar later staan de houten huizen er nog steeds alsof ze gisteren gebouwd zijn. Alleen de daken van palmblad moet Nanni elke vijf jaar vervangen. Alle huisjes zijn zeker van alle gemakken voorzien. Geen overbodige luxe. De douche heeft warm water, de wc trekt goed door, de bedden zijn goed, de ventilator draait, de klamboe zonder gaten. Het is er schoon en alle meubels zijn smaakvol en comfortabel.
Zodra Nanni me het verhaal vertelt valt me pas de bijzonderheid van bepaalde zaken op die ik normaal als vanzelfsprekend neem. Elektriciteit bijvoorbeeld. Waar haalt hij dat vandaan? Ik hoor geen generator. Het warme water. Elk huis heeft een eigen geiser. Die moet het altijd maar doen. En wat als ie kapot is? Even de loodgieter bellen? O ja? In Indonesië? Wie heeft er op Sumatra nog meer een geiser? Het zelf leren repareren is waarschijnlijk het antwoord op al deze vragen.
Een maand of zes had ie zichzelf gegeven en dan zou hij de toko draaiend achterlaten. Het werden er dus 21 jaar en hij heeft geen vertrekdatum gepland. Zijn vrouw Frederica werd gebeld: zeg, ik blijf hier op Cubadak. Kom je ook? Ze kwam. En ook zij is er nog steeds.

Dominique
Ze komt naast me zitten aan de grote eettafel tijdens lunchtijd. Alle gasten zitten hier bij elkaar aan de lange tafels en Nanni, zijn vrouw Frederica en hun helpend stel Dominique en Marco schuiven ook altijd aan.

De gerechten komen snel op tafel. Werkelijk een heerlijke combinatie van Indonesische gerechten met de Italiaanse keuken. inclusief primo piatto als pasta, pizza of quiche. Uiteraard alles huisgemaakt. Secondo piatto is werkelijk voortreffelijk. Van gefrituurde worteltjes, via rendang naar gegrilde vis, gegrilde pepertjes, gevulde tofu, gewokte waterspinazie en gefrituurde bloemkool. De lunch is meer dan ik heb durven dromen. Alleen al voor het eten zou ik hier zo een week kunnen blijven.

Dominique is stil en schuift haar bord flink vol en eet. Ik eet, geniet en keuvel wat met mijn Duitse overburen. Plots gaat Dominique achterover hangen,schuift haar leeggegeten bord wat naar voren en zucht even lichtjes. Ik zucht een beetje mee en leg mijn vork neer. Vermoeiend he, lacht ze me toe. Tja, beaam ik , het is hard werken hier hoor, schelpen zoeken in de zon en dan weer zo'n zware lunch er achteraan. Maar zij voelt zich nu weer een stuk beter, zegt ze. Ik kijk haar vragend aan en ze begint te vertellen. Ze slaapt hier achter in een bungalow en ze hoorde vannacht een enorm gekraak uit het oerwoud en toen een harde dreun. Direct dacht ze aan het trekkingspad dat ze heeft uitgezet voor de gasten naar een ander strandje. Er is vast een boom over het pad gevallen dacht ze en kon de slaap daarna maar amper vatten.
Vanochtend is ze gaan kijken en inderdaad; Ze vond een enorme boom met veel zijtakken dwars over het pad. Met wat personeel van de keuken is ze met haar machete aan de slag gegaan en zo goed en zo kwaad als het kon alle zijtakken verwijderd tot ze bij de stam aan kwam. Ze vermoedde het al. De boom zelf heeft een stam met een doorsnede van wel anderhalve meter. Die krijg je niet zomaar weggehaald. Stap twee, zo heeft ze net bedacht, is met de kettingzaag twee doorgangen maken. Zodat de gasten toch over het pad kunnen. De boom wegslepen is onbegonnen werk. Maar voordat ze aan dat werk begint, is ze naast me gaan zitten om te gaan lunchen. Ze had honger als een paard.
Verbluft schenk ik haar nog wat water in. En vraag haar dan achteloos wat ze voor werk deed voor ze vier jaar geleden naar Cubadak kwam. Ze werkte in de farmaceutische industrie. In Kuala Lumpur. Ze komt uit La Rochelle, Zuidwest Frankrijk. Lust u nog peultjes?
Verder nog plannen de komende jaren, vraag ik haar net voordat ik opsta om mijn schelpencollectie verder uit te breiden. (je moet jezelf toch een doel stellen ook al zit je in het paradijs nietwaar). Dominique schudt haar hoofd. Geen plannen. Ze staat ook op en loopt op haar blote voeten naar achteren, de rimbu terug in.

Mangosteen Memoires
Voor mij is de mangistan of mangosteen absoluut de koningin van de tropische vrucht. Zoals ze alleen al ligt te wachten met dat kleine groene dik bladige kroontje met dik steeltje bovenop. Ze heeft de kleur van een roodbruine aubergine, maar ze is klein en rond, ongeveer zo groot als een flinke mandarijn. Haar schil is hard en dik aan de buitenkant. Echter, als je het kroontje er af draait met ferme grip tussen duim en wijsvinger en dan beide duimen in het ontstane gat voorzichtig duwt en de schil openbreekt, zie je dat de schil van binnen zacht is en knalrood. Zo rood dat je er zo een verfstof van zou kunnen maken. Durf te wedden dat dat ook geprobeerd is. Diep in het hart zit de vrucht. Helderwitte schijfjes. Zes soms acht bij in de vorm van een cirkel net als bij de mandarijn. In de schijfjes zit soms een lichtbruine pit. De vrucht voelt zijdezacht aan in je mond. Niet slijmerig maar vast zonder hard te zijn. Minder glad dan lychee, zachter dan mandarijn. En het smaakt zoet met een zuur omhulsel. Ja dat is het. Zachtzoet met een dunne film erover heen van zuur. Mijn god, ik verga.

Rafelige rafflesia, 18 juli 2011
Lopen in de jungle is een feest. Als je tenminste geen onontkomelijke problemen hebt met glibberige slijk waar je met je spiksplinternieuwe tefa's een halve meter in zakt, of een lichaamstemperatuur die minstens oploopt tot het kookpunt in gevoelswaarde, of lianen met stekels waar je angstvallig aan vasthoudt om niet een meter naar beneden te glijden, of beten van ondefinieerbare vliegende of kruipende beesten die of jeuken als een gek of steken als een tierelier, of een hartstilstand omdat je plotseling de bladeren boven je hoort bewegen en een zwarte gedaante boven je hoofd weg ziet springen. En meestal krijg je deze hartstochtelijk in meerdere kleurrijke variaties voorgeschoteld.
Lopen door de jungle is dus een feest. Een groot feest. Want die vochtige slijk is een voedingsbron voor de meest fantastische bloemen, bomen met de meest waanzinnige bladvormen, struiken met de mooiste vruchten. Dat komt door de temperatuur die constant hoog is en die mijn bloed verwarmt maar tegelijkertijd de bloemen doet bloeien en de bomen vruchten af doet werpen. De vliegende en kruipende beestjes zorgen voor de bevruchting van de trompetbloemen, de orchideeën en ontelbare andere kleurige bloemen die ik onderweg naar boven tegenkom. Ik zie de cacaoboom, kaneelboom, wilde jackfruit, varens met bladeren zo groot als olifantenoren, lianen zo dik als onderarmen, bladeren zo groot dat er een baby mee kan worden ingewikkeld. Ik loop in verwondering langzaam mijn weg naar boven en hoor dan een gil. Joehoe! Yes! Hij is er echt! Tussen het groen zie ik iets donkerroods. Dikkig rood, met wat lichte gele stippen. Onze zoon van 5 jaar staat er al naast. Hij staat bij een van de grootste bloeiende bloem die er bestaat. Hij staat naast een wildbloeiende rafflesia, het doel van ons rimbutocht de berg op. Hoera! Ook al sta ik er voor, nog vind ik het onwerkelijk. Wat doet zo.n rare vlezige dikke bloem met rafelige randen hier? De bloem is een dikke halve meter in doorsnee schat ik. Het hart van deze reus is open en heeft van binnen donkerrode stekels die angstaanjagend naar buiten steken. Talloze vliegen, bijen en wespen vliegen er naar binnen om niet meer weder te keren. De rafflesia is een vleesetende plant. In het zoete plakkerige water in het hart verdrinken de insecten en worden zo verzwolgen door de koningin der bloemen. Koningin of niet, ik vind haar aardslelijk. Ik ken eigenlijk geen enkele lelijke bloem tot vandaag. Elke bloem heeft wel iets moois. Iets sierlijks. Of een prachtige kleur. Meestal heeft een bloem het allemaal samen. Bij de rafflesia blijf ik maar kijken of ik iets moois ontdek. Tevergeefs. Indrukwekkend is ze wel. Dat valt niet ontkennen. Haar omvang, het vlezige blad, het grote open hart. Brrr. Eng eigenlijk. Ja dat is het. Het is de meest gewelddadig uitziende bloem op de hele aardbol. De grootste en de engste. En ik heb was erbij. En onze zoon van vijf en dochter van negen waren er getuige van.

Harau Blues
Een man met een minisikje trekt de voordeur van het busje open en gaat voorin zitten. Ikbal zegt ie, als ik vraag hoe hij heet. Wandelen moeten we met hem. Door de rijstvelden, door de jungle, kokosnoten slurpen, visjes vangen,zwemmen in de waterval, in de Lotusvijver visjes vangen en eten van de jackfruit curry gemaakt door zijn vrouw. Probeer daar eens nee tegen te zeggen.
De volgende ochtend staat ie klaar. Bij het huis van zijn grootmoeder. Wij zijn hier in het land van de Minakabau. De minakabau zijn matrilineair, wat betekent dat de erfenis en het eigendom loopt via de bloedlijn van de moeder. Elk huis is dus van de moeder, de grootmoeder of de tante. Nooit van de vader, de grootmoeder of de oom. Vandaar dat Ikbal ons leidt van het huis van zijn grootmoeder, via het huis van zijn schoonmoeder naar het huis van zijn vrouw.
Hij gaat ons voor, over het erf van het kleurrijke huis- het is vrolijk geverfd in de kleuren geel en zwembadblauw- lopen we onder grote bomen door met bladeren zo groot als waaiers naar een bamboestam over een watertje. Hij wijst naar een struik. Cacao. Hij scheurt de grote lichtgroene langwerpige vrucht open en er verschijnt een slijmerige glazige witte smurrie. Er schemeren grote beige pitten doorheen zo groot als een amandel. Hij scheurt er een stukje uit en stopt het in zijn mond. Sabbelt demonstratief. Mmmm lekker. Een rilling trekt over de rug van mijn zoon. Ik steek stoer mijn hand uit. Kom maar op met die vrucht. Het smaakt inderdaad slijmerig maar heerlijk zoet en een beetje zuur tegelijkertijd.

Ikbal springt als een jong kind over graspalmen, duikt de struiken in voor citroengras, hangt aan brede takken van een mangosteenboom om te kijken of er al vruchten rijp zijn. Helaas. Nog te vroeg. Da's best jammer want een mangosteen is wat mij betreft de koningin van het tropische fruit. Rond en bruin van buiten met een brede groene steel en enkele brede dikke blaadjes als aan een vetplant. Als je de vrucht openscheurt is de dikke schil knalrood. Daarbinnen zitten pitten omhult met wit vruchtvlees. Dat eet je op. Zacht als mango, zoet als lychee maar dan met een tannine ergens op de achtergrond. Met een woord koninklijk.
Hij stroopt zijn broekspijpen op en waadt door riviertjes, springt naar libellen en laat je schrikken met enorme kevers zo groot als een tennisbal door de helft, met een enorme lange en een kromgebogen prikker op zijn kop. Vliegend hert schijnen we die te noemen.
Dan wijst hij naar boven tegen de hoge verticale klif. Hij staat immers in het smalste gedeelte van de Harau vallei, een kloof eigenlijk, die aan twee zijdes wordt besloten door twee enorme onbegroeide rotswanden die een meter of 200 letterlijk verticaal de lucht in priemen. Bovenop gaat de rimbu weer gewoon verder. In die rimbu waar mensen lastig kunnen komen stikt het van de wilde beesten en prachtige flora.
Hij wijst naar enorme bijenraten boven aan de klif die er in de verte uitzien als te drogen hangende stijve bruine handdoeken. Duizenden bijen maken de lekkerste honing. Maar met gevaar voor eigen leven naar beneden te krijgen. Want als je dat op het verkeerde moment doet dan valt de zwerm je aan.
Het huis van zijn schoonmoeder staat aan de rand van de rijstvelden. Tussen een stuk of tien andere huizen waarvan twee in de oude Minakabau-stijl. Deze oude stijl huizen hebben prachtige omhoogkrullende daken met doorgebogen nok. Als een maansikkel op haar rug. Deze twee hebben een mooi bewerkt klein bordes bij de voordeur. Zodra we in het zicht zijn, klimt er een tanige oude man vanuit het minidorpje met een grote machete op zijn rug een palmboom in. Vliegensvlug klimt ie over de meterslange verticale gladde stam naar boven tot aan de groene palmbladeren. Daar waar de kokosnoten hangen. Hij breekt er drie los en gooit ze naar beneden. Beneden slaat Ikbal met zijn machete de kokosnoot open. Precies zo dat er een klein drinkgaatje tevoorschijn komt. Zijn zoontje drinkt eerst. En dan mogen Sil en Luna. Heerlijk zoet kokoswater lest de dorst als de beste.

Slapen in Harau Vallei?
Leuk is Echo homestay in de Harau vallei. Midden tussen de jungle bomen en planten in het smalste gedeelte van de kloof. Zolang er maar geen congres is. Deze zinnen die door Dominique op Cubadak eiland werden uitgesproken, galmen nog steeds na in mijn oren wanneer ik op het terrein van Echo in een prachtig nagebouwd Minakabau huis met opkrullende daken , de slaap probeer te vatten. Wat een onnoemelijke klere herrie maken congreslui zeg. Het echoot de hele Harau vallei door. Het wordt weerkaatst door de rotswanden die ons omsluiten. Daarom heet deze lodge Echo. Waarom men dan bedenkt om uitgerekend hier personeelscongressen uit de stad te organiseren met karaoke tot diep in de nacht, is mij een absoluut raadsel. Dat ze daar dan ook nog toeristen willen laten slapen is misschien nog wel een groter mysterie. Ik heb daar vannacht heel goed over na kunnen denken; Als ik nog een keer kom slapen in Harau Vallei raad ik mezelf de bamboe huizen van Ikbal aan. Met een prachtig uitzicht over de rijstvelden van Harau. Zonder Elektriciteit dus gegarandeerd geen karaoke.

Bukittingi- Canyon walk - Hoe lieflijk en gevaarlijk een en dezelfde zijn
Dody staat te wachten tegen een hekje. Zodra ik bij de stoep stop en uitstap springt ie op. En zwijgend loop ik achter hem aan. Een klein paadje door naar het panoramauitzicht van de stad. Van hieruit zie ik beneden ons de prachtige canyon gevormd door een rivier die nu onschuldig beneden een dun glinsterend sliertje vormt. In de canyon ligt een hoop rommel als stukken puin, touw en blauw bouwplastic dat half de grond uitsteekt. Het is het gevolg van een uitbraak van de rivier een paar jaar geleden die onderweg een paar dorpen heeft meegespoeld. Dit lieflijke kleine stroompje kan monsterlijke vormen aannemen.
De weg naar beneden dwars door het groen is een avontuur. Dody voorop met zijn machete om het paadje vrij te houden van planten, bladeren, stekels en woekerplanten. Ondertussen wijst hij en vertelt. De koffiestruik bloeit. Ronde witte bloemen met talloze lange smalle blaadjes die lijken op papiersliertjes die net uit de papierversnipperaar komen. Ik zie de paarse wingerd overal omheen en doorheen groeien, langstaart-makaken springen van tak naar tak. En dan blijft Dody stilstaan en tuurt strak het struikgewas in. Ik vraag me af of hij nou gewoon op me staat te wachten of dat hij iets anders van plan is. Hij blijft maar kijken. En dan haalt ie zijn schouders en daalt verder af. Wat was er? Ach, ik keek of ik nog een python zag.

Gisteren lag hij hier ergens tussen het struikgewas. Hij is zo dik als mijn bovenbeen en een meter of zes lang. Mijn hart schiet in mijn keel. Pythons. Vlak naast dit smalle simpele onschuldige paadje waar bijna elke dag mensen over lopen? Zitten pythons niet in het vak bij de Sumatraanse tijger en neushoorn? Minstens zeven dagen trekken diep de jungle in? En dan maar hopen dat je een spoor van ze tegenkomt? Tegelijkertijd voel ik me wat dom. Ja natuurlijk pythons! Ik ben op Sumatra en in het struikgewas. Daar leven heel veel beesten. Ook slangen dus. Maar ik probeer mezelf toch gewoon te plaatsen op het erf van de boerderij van mijn jeugd. Wel zo veilig en overzichtelijk. Dus ik hoor mezelf zeggen: zeg een python is toch een wurgslang? Ja zegt Dody en kuiert rustig verder. Dus geen giftige slangen hier, zeg ik hoopvol. Tuurlijk wel zegt Dody zonder om te kijken. Cobra's en zo. Je weet wel met zo'n platte kop.
Plotseling wordt mijn lieflijke wandelpaadje naar beneden omringd door geuren en kleuren een avontuurlijke gevaarlijke trektocht waarbij ik bij elke stap die ik zet op mijn hoede moet zijn. Waar ik gewapend met machete en een scherp oog als een arend om me heen dien te spieden voor plotseling opdoemend gevaar. Ik bereid me alvast voor voor een aanval. Ondertussen wandelt Dody verder als voorheen. Geen enkele verandering in tred vergeleken met die van voor mijn python-cobra- ontdekking. Hij voelt zich kennelijk niet bedreigd. Gewoon opletten dus maar overdrijf het niet. Ze vallen niet aan zonder reden. Er kan ook plotseling een kokosnoot naar beneden vallen. Die kun je ook maar beter niet op je hoofd krijgen. Het zijn andere gevaren dan thuis. Je moet er even aan wennen. Het niet vergeten maar ook niet overdrijven. Ik loop weer wat meer relaxt verder. Zou hem best wel eens willen zien, die python. En nu verandert de hoop op veiligheid naar hoop op een ontmoeting. Ik tuur als een arend het struikgewas in.

Holen met vliegende honden
De canyon van Bukittingi is prachtig. Alsof je door de woestijn loopt met de jungle boven je. En in de verte de steile wanden. Het riviertje dat de canyon heeft gevormd stelt nu in de droge tijd helemaal niks voor.
We lopen door tot het einde van de brede canyon. De rivier draait de hoek om en ik kijk omhoog. Er hangen zwarte dingen aan een aantal bomen hoog boven ons. Ik denk eerst aan kapokbomen met hun grote langwerpige donkere vruchten die later openbreken en het pluizige witte kapok naar buiten duwen. Maar nee , deze vruchten zijn groter dan kapok. En er zitten gekke flappen aan de zijkant. Glimmen zelf ik verbeeld ik me dat? Dody wijst omhoog. Vliegende honden zegt hij. Ik schrik bijna. Jeemug! Enorme grote beesten moeten dat zijn want ze hangen erg hoog en dus ver weg en ik zie ze zo duidelijk. En wat zijn het er veel! Ik zie het nu pas echt goed. Er hangen er honderden! Zover ik vanaf hier vanuit de canyon kan zien, zijn er vijf bomen geheel gevuld met op hun kop hangende vliegende honden. Ze slapen totdat het avond wordt en dan vliegen ze weg. Op zoek naar fruit. In de ochtend komen ze weer terug op precies deze plek. Een wonderbaarlijk fenomeen. Ze lijken erg op vleermuizen maar dan enorm in formaat. Met uitgespreide vleugels zijn ze zeker meer dan een halve meter breed. Ik blijf er naar kijken. Kan er geen genoeg van krijgen. Ik verlang er stiekem naar dat het avond wordt. Dan gaan ze vliegen. Ik had het nog niet gedacht of Dody begint in zijn handen te klappen en te roepen door de canyon. Waaaaaaaah. En mijn lieve hemel, ze worden wakker! Eerst vliegen er een paar op maar al gauw ziet het letterlijk zwart van de laagvliegende honden. Ik weet niet waar ik kijken moet. Ik kan wel gillen van plezier. Wat is dit machtig! Ik heb het gevoel dat ik ze kan aanraken ook al vliegen ze minstens vier meter boven me. Ik zie ze zo duidelijk. Hun oren priemen parmantig boven hun hoofd uit, zelfs denk ik hun ogen te kunnen zien. Zeker kan ik klauwtjes zien aan de voorkant en achterkant van hun enorme lappen van vleugels waarmee ze zich vastklampen aan de tak om te slapen. Hun vleugels zijn een beetje eng. In de vorm van bijna doorzichtige vampiervleugels met een paar spanspieren er doorheen. Ik zie de vleugels duidelijk glimmen. Alsof ze van rubber zijn met een geplastificeerd laagje. Beetje griezelig. Ze blijven rondvliegen. Het duurt zeker 10 minuten totdat ze weer hun slaapplekje hebben gevonden. Ik heb al die tijd met kippenvel op mijn armen en met open mond staan kijken. Wat een rare organismes op deze aardbol. En hier beleef ik het eens te meer: de mens is maar een schakeltje in het geheel. Ik zou me ook meer als een schakeltje moeten gedragen.

Minakabau in Padangpangjang - Nucleair wetenschapper op kousenvoeten
Een vrouw met een grote bril en een moderne wollen pet op haar hoofd staat op het grasveld voor een prachtig bewerkt Minakabau huis in padang pangjang. Ze wenkt. En ik loop voorzichtig op haar af.Mijn tante woont hier, zegt ze en gebaart naar achteren. Achter haar zie ik een krom vrouwtje met een enorme witte hoofddoek die tot vlak boven haar ogen reikt. Ze lacht haar enige tand bloot en schuifelt naar het trapje dat toegang verleent tot het brede houten huis op palen. We staan voor een familiehuis van de Minakabau en over enkele seconden sta ik er binnen. Geen museum dus maar een bewoond huis. Een rijk huis. Het dak heeft de vorm van een maansikkel op zijn rug. Het hout van de kozijnen, dakgoten, dakspan is prachtige bewerkt en geschilderd met mooie abstracte motieven. Ik laat mijn sandalen buiten staan en stap binnen op zacht donkerrood tapijt. Binnen kom ik in een grote ruimte. Er ligt er vloerbedekking en staan her en der grote dikke donkerhouten pilaren waar het dak op steunt. De pilaren zijn eveneens bewerkt. Er staan geen stoelen. Enkel twee kleine lage ronde tafeltjes met een vaasje met vers geplukte bloemetjes erin. Een aan de linkerzijde van het huis en eentje aan de rechterzijde. Er staan een aantal mooie houten vitrinekasten met zichtbaar duur porselein en glaswerk. In het midden hangt een zwaren bronzen kroonluchter met glazen lampenhouders. Verder is deze ruimte leeg. Aan de achterzijde zijn een aantal deuren naar ruimtes erachter. Dat moeten kleine ruimtes zijn gezien de grote ruimte waar ik nu in sta. Het huis was van de buitenkant gezien niet heel veel groter. Het zijn de slaapkamers van de vrouwen. De mevrouw die ons naar binnen wenkt spreekt vloeiend Engels. En ze vertelt graag. Met gulzige teugen lucht ertussen. Dit is het huis van haar tante en ze gebaart naar de vrouw met de witte hoofddoek die ondertussen op de grond is gaan zitten bij een van de twee houten tafeltjes. Ze zit er ontspannen bij met haar benen elegant gevouwen terwijl ze minstens 80 moet zijn. Haar man had twee vrouwen en hij bouwde dit huis voor hen. Haar tante kreeg het linkergedeelte van het huis en de andere vrouw van de man het rechtergedeelte. Het linkergedeelte wordt bewoond door de tante en nog een dochter, het rechtergedeelte wordt niet gebruikt door de andere vrouw en haar familie maar de tante houdt het wel bij. En nu zie ik het ook. Hoewel het een open ruimte in zie ik duidelijk aan de meubels dat het twee huishoudens heeft bediend. Elke kant heeft een lage ronde tafel en staan er enkele vitrinekasten aan weerszijden.

Aan de ongebruikte zijde staat een staande klok, duidelijk een oud duur Europees exemplaar. Aan de uiterste zijden is aan beide kanten een verhoging te zien. Er staat aan beide zijden een mooi bedstee op met mooie zware gele en rode stoffen met versierselen van gouddraad. Er staan wat lage kasten en kisten omheen omtrokken met brokaat. Het wordt de ajung genoemd. Hier mogen de dochters slapen die oud genoeg zijn om huwelijkskandidaat te zijn. Het is hun ruimte, alleen zij mogen er komen samen met hun eventuele nichtjes. Onze gespreksvrouw sliep er als jong meisje. We zijn duidelijk bij een rijke familie aanbeland.
De meeste familieleden wonen in Jakarta of Yogyajakarta op Java net zoals onze gespreksvrouw. Zij heeft in Jakarta en Japan gestudeerd en is nucleair wetenschapper. Ze geeft nog steeds lezingen aan de universiteit van Singapore zegt ze. En ze drukt haar wollen pet nog wat verder over haar oren. Ze is even op en neer gevlogen vanaf Jakarta naar hier om het graf van haar moeder te bezoeken en schoon te maken. Volgende week begint de ramadan en dan is het ieders kinds plicht om het graf van de ouders te bezoeken. Ze logeert hier dus kennelijk maar een paar nachtjes. Het is een adellijke familie met veel macht en invloed in de oude Nederlandse tijd zo leer ik, want de kroonluchter die boven mijn hoofd hangt is van Nederlandse makelij en cadeau gedaan door de Nederlanders aan deze familie. Alleen uitzonderlijke invloedrijke families kregen zo'n kroonluchter. Deze familie is Minakabau en moslim met strenge adat die tot op de dag van vandaag gevolgd worden. Zo mogen er geen mannen wonen in dit huis. De Minakabau zijn matrilineair en de erfenis gaat over de lijn van de vrouw. De moeders erven het huis en familiegelden. Het huis blijft van de vrouw en de man gaat na zijn huwelijk niet bij de vrouw wonen maar blijft officieel in het huis van zijn moeder wonen. Hij brengt wel nachtelijke bezoeken aan zijn vrouw en dan mag ie wel blijven slapen. Pas als hij genoeg heeft verdiend bouwt hij een huis voor zijn eigen vrouw waar de vrouw met zijn kinderen gaat wonen. Tot die tijd blijft de vrouw bij haar moeder wonen. Geen geld? Geen huis voor je vrouw.
Dit huis is in 1885 gebouwd voor de twee vrouwen en kinderen van een invloedrijke man. Het heeft al twee aardbevingen goed doorstaan zegt onze nucleaire wetenschapper al wippend van haar ene been op haar andere been.
Dan wordt de voorhang van de voordeur opzij geschoven en komt er een dikke man binnen van rond de veertig. Hij heeft een oud fototoestel om de nek. Met filmrolletje nog vermoed ik. Hij wordt voorgesteld als de zoon van tante. Hij zorgt voor haar en het huis en woont in het bijhuis hier op het erf. Een tussenoplossing om de adat in ere te houden, wellicht. We mogen met zijn allen op de mooie ajung gaan zitten en er wordt een foto gemaakt door de zoon. Wij eten en drinken wat samen en vieren zo onze ontmoeting. Hoe lang zal dit nog zo bestaan in zo'n huis op deze manier?

Bukit Lawang 21-22 juli - nieuwe Ontmoetingen
Precies op de grens tussen de rubberplantage en het Gunung Leusser Park word ik tot stilte gemaand. Ik ben nog geen tien minuten met de jungle trek begonnen. Ik heb de eerste liaan nog niet gezien. 'sssst orang oetan' fluistert Ignis, onze gids. Ik denk dat ik het verkeerd verstaan heb. Huh? Liggen ze hier zowat voor het oprapen? Dat kan toch helemaal niet? Ik grijp mijn zoontje bij de hand. Die gaat vooral op orang oetan jacht. En ik maar denken dat ik het spel gewoon lekker meespeel met hem. Kijk maar in de toppen en achter elke boom want er kan er zomaar eentje in hangen. Dat we dan bij de eerste beste stap in de echte jungle er ook eentje tegen komen is een groot wonder. Maar het wonder geschiedt. Sterker nog: het is er niet eentje; het zijn er twee! Moeder en kind. Ze

hangen nieuwsgierig boven ons hoofd. En komen dan naar beneden. We staan nog geen twee meter bij ze vandaan. Lieve hoofden, rechtopstaand rood haar. Grote zwarte glimmende handpalmen. Moeder heeft staar aan een oog of is er zelfs al volledig blind. Dat kan ik zo zien. En dan? En dan mag Sil ze een banaantjes en ananas geven. Ik weet niet wat ons gebeurt! Hij steekt zijn hand uit met de banaan en ma oetan komt het gewoon halen. Voorzichtig pakt ze het van hem aan. En klimt weer een paar meter de boom in om het daar te delen met haar kind. Haar kind is trouwens bijna twee jaar en drinkt nog steeds uit haar borst. Na de bananenhapjes sabbelt ze nog even wat aan de zo bekende borst. Ma staart wat voor zich uit en kijkt gelukkig en tevreden. Sil kijkt op zijn beurt rustig mee. Alsof hij het ook de normaalste zaak van de wereld vindt dat hij een semi wilde orang oetan voert.

Onder mijn voeten zie ik droge aarde tussen alle boomwortels en groene kruipers door. Dat geeft een veilig gevoel. Vochtige aarde is voor mij een seintje dat ik moet opletten voor bloedzuigers. En dat is geen feest. Maar hier midden in de jungle op een droge dag is het werkelijk een groot feest! En voor Sil is het een grote speeltuin. Lianen als slingers hangen gekruld aan hun gastheren. Dat zijn soms gigantische maranti-bomen die je met vier mensen nauwelijks omarmen kan en zelfs zo hoog is dat ie eenzaam boven de jungle uit kan steken. Zijn wortels zijn enorm en dat wat boven de grond zit, kronkelt als slangen over de grond in mooie kleurschakeringen. Wat een ontzagwekkende kracht straalt dat uit. Een reuzemier zegt mijn schoen goedendag. Hij loopt er tegenaan maar niet erop. Gelukkig. Echt een joekel van een mier met een lengte van zes gewone mieren achter elkaar. Ik voel me even als Erik in zijn kleine insectenboek toen hij net klein was geworden en in de wereld van de insecten terecht was gekomen. Bijten deze beesten net als de vuurmieren hier maar dan zes keer zo heftig?Ik besluit maar even niet de proef op de som te nemen en stamp de mier van me af. Dan zie ik een insect op een blad zitten. Een heel groot beest zo groot als een groene sprinkhaan maar dan lichtbruin met een oranje en een witte streep over zijn lijf. Zijn hoofd is versierd met grote zwarte ogen, een witte vlek en twee turkooizen vlekjes aan de buitenkant van elk oog. Welke kunstenaar heeft dit zo verzonnen? Of zit ik werkelijk in een kindertekening van een kind met een uitgebreide fantasie.

Ik kijk op en zie Sil op zijn kop in een liaan hangen, duidelijk een nabootsing van de orang oetan van net. Hij grinnikt en geniet volop van het klimmen, hangen en klauteren. Moet hem wel af en toe wijzen op het feit dat hij eerst goed moet kijken waar ie zijn handen en voeten neerzet om te voorkomen dat hij ie insecten grijpt die dat niet op prijstellen en letterlijk van zich afbijten.
En dan hoor ik een flink geritsel boven in de boom. Lucky day, mompelt Ignis en wijst naar boven. Een aantal 'white handed gibbon' schieten door de groene bladeren. Ik zie ze met het blote oog. Met de camera haal ik ze dichtbij. Wat een schattig hoofd heeft zo'n beest. Crèmekleurige vacht maar hun gezicht is wit net als hun handjes. Hun vacht ziet er zo zacht uit. Je reinste knuffelbeest.
Ik zie Ignis wat in zijn telefoon mompelen en de verbinding verbreken. Blijkbaar hier toch nog bereik. Dan zegt hij rustig dat er even verder op een oude orang oetan is gesignaleerd die al een paar weken niet in de buurt is geweest van de voederplaats. De voederplaats is ons einddoel vandaag. Het plan is eigenlijk dat we eerst een paar uur door de jungle zouden lopen naar de voederplek voor orang oetans. Hier wordt twee keer per dag voedsel gelegd voor de apen die zelf niet genoeg fruit in de jungle kunnen vinden. Soms komen er orang oetans maar soms ook helemaal niet. Toeristen kunnen deze voederplaats via een aangelegd pad snel bereiken vanaf Bukit Lawang. Wij nemen dus een omweg door de jungle. Ik had nooit verwacht dat we onderweg wel eens orang oetans tegen zouden kunnen komen! En in twee sessies. Deze keer is het een oude man. Indrukwekkend groot dus we mogen niet te dichtbij. De bananen worden hem toegeworpen deze keer. Hij komt ze ophalen en staat op de grond zo'n vijf meter bij me vandaan. Hij stopt alle vijf de bananen tegelijk half in zijn mond. Nee maar! Dat ziet er echt zo hilarisch uit dat ik mijn lach moet inhouden. Alsof ie tot stilte gemaand wordt en als straf een tros bananen tegen zijn zin in zijn strot geduwd krijgt dat moet werken als een kurk. Stil jij! Prop. Hij kijkt er ook wat verontwaardigd bij lijkt wel. Ondertussen peuzelt hij zijn bananen terug in de boom lekker op. Dan komt ie naar beneden en staat op de grond. Hij loopt langzaam naar ons toe. Zijn handen en voeten op de grond. Een beetje machoachtige houding neemt ie aan. De gids wordt dan vliegensvlug. 'Naar achteren', sist ie en hij pakt Sil op en springt naar achteren. Ik volg. Door de angst van de gids zet ik het ook op een sprintje. Die man loopt hier al achttien jaar door de jungle dus die zal het wel weten. Gelukkig is Sil veilig in de armen van de gids. In mijn gedachten zie ik het plots voor me dat de aap Sil onder zijn arm neemt en dan dertig meter hoog de bomen weer in klimt. Dan krijg ik hem echt niet met een keukentrapje naar beneden. Ook niet met een brandweerladder. Brrrrr. Het enige wat gebeurt is echter dat de macho in een volgende stam gaat hangen op een relaxte, ja zelfs jolige manier. Het ziet er dan plots weer zo schattig uit. In de boom is hij niet bedreigend zegt gids en we kunnen ontspannen. Maar ik ben wel gewaarschuwd: dat wat leuk en schattig lijkt kan zich zo ontpoppen tot een monster. Maar ach is dit niet al een gegeven voor alles dat om ons heen zweeft, zwerft, loopt of vliegt inclusief mijn eigen ik?

23-25 juli Tangkahan - In bad met een olifant
Hij is 8 maanden oud en heeft allemaal zwarte haartjes op zijn grijze huid. Hij staat in het vlakke water van de brede rivier bij Tangkahan, aan de rand van de jungle, vlak naast zijn moeder. Zij is een boom van een olifant. Haar poten zo dik als boomstammen. En hij zoekt er duidelijk bescherming bij. Mama gaat na aandringen van haar verzorger heel langzaam op haar zij liggen. Haar pootzolen- tja, voetzolen vind ik niet passen bij poten zo dik als een volwassen berk- met die schattige witte nagels zijgen langzaam het water in. Ze ligt met haar gezicht onder water. Haar slurf net even zo gedraaid boven het water uit dat ze adem kan halen. Haar kleintje blijft naast haar staan. Sil en Luna hebben allebei een borstel gekregen. Een roze en een lichtblauwe met witte stugge haren. We gaan de olifant lekker scrubben en wassen. De huid voelt hard maar niet als de bast van een boom. Het voelt als stevig en ondoordringbaar maar wel met een souplesse die nodig is om je te bewegen. Af en toe steekt er een zwarte haar uit de huid. Die is net zo stug als de borstel waarmee we haar borstelen. We gooien water op haar zijkant en borstelen. Ze vindt het zichtbaar heerlijk. Haar oog kijkt ons aan alsof ze ons aanmoedigt. Toe maar! Ik vind het fijn. Zo een zachte vriendelijke blik dat ik bijna vergeet dat ze minstens 3000 kg weegt en haar dus niet op je teen moet laten staan.
Dan staat ze rustig, heel rustig, weer op en dat lijkt het teken voor haar zoontje van 8 maanden die zich blij laat vallen in het water. Scrubben maar! De huis van hem is dunner en zachter. De haartjes die lijken op dons over zijn hele lijf zijn zachter dan van zijn moeder maar nog steeds flink stug. Ik zou er mijn haar mee kunnen samenbinden. We borstelen en aaien en gooien water over hem heen. Hij geniet. En wij vergeten het nooit meer. Hoe zachtheid, vriendelijkheid en samenwerking ondanks krachtsverschillen tussen mens en dier zo mooi samen kunnen gaan.

Ritje op Augustin.
Augustin en ik zijn even oud. En dat schept meteen een band. Geboren in hetzelfde jaar. Welke veranderingen heeft zij de afgelopen 39 jaar allemaal mogen zien. Heeft ze daar net zoals ik iets van gevonden? Ze heeft ook kinderen gekregen net als ik. Alleen zij werd geboren ergens in de jungle van noord-Sumatra. Ik in zuid- Nederland. Wat zeker is, is dat ze de jungle kleiner heeft zien worden. Stukken kleiner. Haar eigen leefgebied heeft ruimte moeten maken voor oliepalmplantages. Hectaren groot. Alleen maar oliepalmen en wat lage begroeiing. Weg alle grote bomen als meranti, mahonie, waringin, cassave, varens, vogels, insecten, apen en dus ook olifanten. Hun leefgebied wordt kapot gemaakt. Niet te geloven als je een jungle in loopt en je realiseert dat dit enorme complexe leefgebied met al die verschillende soorten flora en fauna gewoon is omgelegd. Omgezaagd, weggekapt door de mens. En de dieren vluchten dieper het oerwoud in. Of ze kwamen aan de rand te staan en wisten niet meer welke kant ze op moesten. Zo verging het ook Augustin, de olifant. Zij werd opgevangen. Hier in Tangkahan. Samen met 8 andere olifanten. In ruil voor de opvang en het eten- minstens 100 kg bladeren op een dag- moet ze twee keer per dag een uurtje toeristen op haar rug dragen. Dwars door de rivier, dan een klein paadje omhoog , door een stukje jungle en dan weer naar beneden, de rivier in. Aan het eind van de rit wordt ze heerlijk gewassen en bescrubt. En dan krijgt ze eten. De grote palmtakken van minstens drie meter lang, worden gebroken in het midden door haar verzorger zodat ze precies op haar rug passen. Haar verzorger legt voorzichtig een stuk of tien van die gebroken palmtakken doe samen een dakje vormen voor haar rug. Zodra ze klaar is schuifelt ze langzaam met haar eten op haar rug naar haar rustplaats. Haar verzorger brengt haar er naar toe. Het gaat er zo rustig en relaxt aan toe. De verzorger en Augustin vertrouwen elkaar en geven om elkaar. Dat zie ik zo. Ik heb op de rug van Augustin gezeten. Samen met mijn twee kinderen. Dwars door de rivier bij Tangkhahan en over smalle paadjes dwars door de Jungle! Machtig.


© Christel van Bree, Dimsum Reizen , augustus 2011